22 augustus 2026
Waarom je verzekering je niet mag verrijken

Na een schadegeval ontstaat soms een merkwaardige verwachting: als de verzekeraar toch betaalt, waarom zouden we dan niet meteen voor een betere oplossing kiezen?
Die vraag is begrijpelijk. Het antwoord zit in een van de grondbeginselen van de schadeverzekering: het indemniteitsbeginsel.
Schade vergoeden zonder winst te creëren
Een schadeverzekering is bedoeld om een geleden nadeel te vergoeden. Ze mag de verzekerde in beginsel niet in een betere financiële positie brengen dan vóór het schadegeval.
Juristen noemen dat het indemniteitsbeginsel.
Artikel 93 van de Wet van 4 april 2014 betreffende de verzekeringen bepaalt dat de prestatie van de verzekeraar de door de verzekerde geleden schade niet te boven mag gaan.
In gewone mensentaal: de verzekering vergoedt je schade, maar de schade mag geen bron van financieel voordeel worden.
Dat klinkt eenvoudig. In de praktijk is het dat lang niet altijd.
Van één punt naar vijf punten
Een voorbeeld dat ik als verzekeringsmakelaar regelmatig gebruik, is dat van een beschadigd deurslot.
Stel dat een woning uitgerust is met een enkelvoudig slot. Na een inbraakpoging blijkt dat slot onherstelbaar beschadigd. De slotenmaker stelt voor om geen nieuw enkelvoudig slot te plaatsen, maar meteen over te schakelen op een driepunts- of vijfpuntsslot.
Dat is waarschijnlijk een verstandige investering. De beveiliging van de woning wordt er beter van en mogelijk wordt een volgende inbraakpoging bemoeilijkt.
Maar vóór het schadegeval was een enkelvoudig slot aanwezig en verzekerd. De verzekeraar moet daarom in beginsel de kostprijs dragen van het herstel of de vervanging door een gelijkwaardig enkelvoudig slot.
Wil de verzekerde van de gelegenheid gebruikmaken om een veiliger driepunts- of vijfpuntsslot te plaatsen, dan kan dat uiteraard. Het verschil tussen de gelijkwaardige vervanging en de gekozen verbetering blijft in beginsel voor rekening van de verzekerde.
De verzekeraar vergoedt het herstel.
De verzekerde betaalt de verbetering.
Na plaatsing wordt het nieuwe slot in beginsel onderdeel van het verzekerde gebouw. Wordt dat driepunts- of vijfpuntsslot later bij een nieuw gedekt schadegeval beschadigd, dan vormt dát slot het uitgangspunt voor de schadebegroting — rekening houdend met de polisvoorwaarden, de verzekerde waarde en eventuele toepasselijke afschrijvingen.
Zo verandert een verbetering die vandaag niet volledig wordt vergoed, morgen wel in een bestanddeel van het verzekerde risico.
Herstel is niet altijd een exacte kopie
Toch mag “terugbrengen naar de toestand vóór de schade” niet al te letterlijk worden gelezen.
Een beschadigd onderdeel is misschien niet meer verkrijgbaar. Nieuwe bouwvoorschriften kunnen een andere uitvoering verplicht maken. Ook technische normen, veiligheidsregels of de polisvoorwaarden kunnen meebrengen dat een identieke vervanging onmogelijk, ontoelaatbaar of niet redelijk is.
Bovendien bestaan er verzekeringen die herstel in nieuwwaarde, wederopbouwwaarde of volgens bijzondere waarderingsregels vergoeden. Sommige polissen bevatten zelfs waarborgen voor aanpassingen aan nieuwe normen.
De juiste vraag is daarom niet alleen:
“Wat stond er vóór de schade?”
We moeten ook vragen:
“Welke prestatie heeft de verzekeraar volgens de overeenkomst beloofd?”
Het indemniteitsbeginsel betekent dus niet noodzakelijk dat elk beschadigd voorwerp oud, versleten of technisch achterhaald moet worden vervangen door een volkomen identiek exemplaar. Het betekent wel dat de vergoeding verbonden moet blijven met het verzekerde nadeel en met de waarderingsregels van de polis.
Wanneer wordt een verbetering fraude?
Een verzekerde die openlijk voor een betere oplossing kiest en zelf het prijsverschil betaalt, pleegt uiteraard geen fraude.
Zelfs vragen of de verzekeraar de verbetering geheel of gedeeltelijk wil vergoeden, is geen fraude. Vragen staat vrij. Sommige verbeteringen beperken bovendien het toekomstige risico, waardoor een verzekeraar er commercieel belang bij kan hebben eraan bij te dragen.
De grens wordt overschreden wanneer iemand bewust een onjuiste voorstelling van de schade geeft om een hogere vergoeding te verkrijgen.
Denk bijvoorbeeld aan:
- beweren dat vóór de schade al een vijfpuntsslot aanwezig was terwijl het om een enkelvoudig slot ging;
- een offerte voor een verbetering voorstellen alsof ze uitsluitend betrekking heeft op noodzakelijk herstel;
- oude of niet-beschadigde gebreken toevoegen aan het schadegeval;
- bedragen op facturen kunstmatig verhogen;
- dezelfde schade bij verschillende partijen aangeven zonder de andere vergoedingen te vermelden.
Dan gaat het niet langer om een verschil van inzicht over de omvang van het herstel. Dan wordt geprobeerd de verzekeraar meer te laten betalen dan waarop volgens de werkelijke schade en de overeenkomst recht bestaat.
Fraude is dus niet hetzelfde als verrijking. Verrijking kan ook onbedoeld ontstaan, bijvoorbeeld door een dubbele vergoeding of een verkeerde schadebegroting. Fraude vereist een bewuste misleiding.
Maar fraude maakt wel gebruik van dezelfde grens: het verschil tussen het werkelijk geleden en verzekerde nadeel enerzijds en het bedrag dat iemand probeert te verkrijgen anderzijds.
Een gemiste kans voor preventie?
Het voorbeeld van het betere slot laat nog iets anders zien.
Een verzekeraar hoeft de verbetering juridisch niet te betalen. In de praktijk zal hij doorgaans alleen de kostprijs van een gelijkwaardig herstel vergoeden. Wie van een enkelvoudig slot naar een driepunts- of vijfpuntsslot wil overstappen, betaalt de meerprijs meestal zelf.
Dat is juridisch verdedigbaar. Toch kan men zich afvragen of het vanuit preventief oogpunt altijd de verstandigste benadering is.
Een driepunts- of vijfpuntsslot kost meer dan een enkelvoudig slot, maar kan de kans op een volgende succesvolle inbraak verkleinen. De verzekerde krijgt een veiliger woning en de verzekeraar ziet mogelijk zijn toekomstige risico verminderen.
Zou men daarom niet kunnen overwegen dat de verzekeraar de kostprijs van het gelijkwaardige herstel vergoedt én een beperkte bijdrage levert aan de meerprijs van een aantoonbaar betere beveiliging? De verzekerde zou het overige deel zelf betalen.
Voor zover ik in de dagelijkse praktijk vaststel, gebeurt dat vandaag nauwelijks of niet. Nochtans zou precies daar schadevergoeding kunnen overgaan in preventie.
Niet als verworven recht van de verzekerde. Niet als een manier om het indemniteitsbeginsel te omzeilen. Wel als een transparante en vrijwillige investering van beide partijen in het voorkomen of beperken van een volgende schade.
Misschien moeten verzekeraars na een schadegeval daarom niet alleen vragen:
“Wat moeten wij vergoeden?”
Maar af en toe ook: “Welke beperkte extra investering kan vermijden dat wij dezelfde schade later opnieuw moeten vergoeden?”
De grens én de belofte
Het verbod op verrijking wordt soms voorgesteld alsof het uitsluitend de verzekeraar beschermt tegen een te hoge schadevergoeding.
Maar het beginsel beschermt ook het verzekeringsmechanisme zelf. De premies van velen vormen samen het vermogen waaruit de schade van enkelen wordt betaald. Wie méér ontvangt dan zijn verzekerde nadeel, haalt meer uit die gemeenschap dan waarvoor dekking werd verleend.
Tegelijk mag het beginsel geen voorwendsel worden om minder te vergoeden dan contractueel beloofd.
Een verzekerde mag door een schadeverzekering niet ongerechtvaardigd worden verrijkt.
Maar een verzekeraar mag zich door dat beginsel evenmin onttrekken aan de waarborg die hij verkocht heeft.
De juiste vergoeding bevindt zich precies tussen die twee grenzen: niet meer dan de verzekerde schade — maar ook niet minder.
Wetgeving: artikel 93 van de Wet van 4 april 2014 betreffende de verzekeringen.